
Inhoudsopgave
Naar analogie van 'Het Grote Dictee' is op deze pagina 'Het Grote Rekenvoorbeeld' uitgewerkt. Aan de hand van een cijfervoorbeeld van De Computerwinkel worden bedrijfseconomische begrippen toegelicht, cijfermatig onderbouwd en met elkaar in relatie gebracht. En zie je hoe grootheden als de winst- en verliesrekening, de balans, het kasstroomoverzicht, financiële kengetallen, verschillenanalyse en investeringsanalyse met elkaar samenhangen.
4 Financiële Ratio's en Kengetallen
5 DU-Pont-schema (Winstgevendheidsanalyse)
7 Nacalculatie & Verschillenanalyse
1 Winst- & Verliesrekening
2 Balans

- Bezittingen (activa); de bezittingen zijn met € 130.000 toegenomen.
- Bedrijfsruimte 1; de waarde van de bedrijfsruimte is gedaald met € 50.000 (waarvan 20.000 waardevermindering en 30.000 afschrijvingen).
- Bedrijfsruimte 2; de bedrijfsruimte van € 50.000 is verkocht en komt niet meer op de balans voor per 31/12.
- Bestelbusje; het bestelbusje is als gevolg van afschrijvingen met € 20.000 in waarde gedaald.
- Directieauto; er heeft een investering plaatsgevonden van € 70.000 waar in het boekjaar 2015 nog geen afschrijvingen over hebben plaatsgevonden.
- Vlottende activa; de voorraden, debiteuren en liquide middelen zijn toegenomen met respectievelijk € 60.000, € 15.000 en € 105.000.
- Totale activa; de bezittingen zijn dus per saldo (- € 50.000, - € 50.000, - € 20.000, + € 70.000, + € 60.000, + € 15.000 + € 105.000,) met € 130.000 toegenomen.
3 Kasstroomoverzicht
- Stap 1 Operationele kasstroom; de operationele kasstroom bepaalt of een organisatie uit haar normale bedrijfsvoering per saldo meer inkomsten heeft dan uitgaven (of in het minder gunstige geval meer uitgaven dan inkomsten). Door de netto winst te corrigeren van de afschrijvingen (kosten die niet tot een uitgave hebben geleid) ontstaat de cashflow. Tel je daarbij op de (des)investering in het werkkapitaal en je krijgt de operationele kasstroom. In het voorbeeld: toename werkkapitaal wordt berekend door van de stijging van de waarde van de voorraden en debiteuren (respectievelijk € 60.000 +€ 15.000) te verminderen met stijging van de waarde van de crediteuren en het krediet bij de bank (respectievelijk € 20.000 en € 0). De toename van het werkkapitaal bedraagt per saldo in 2015 € 55.000. De operationele kasstroom is dus gelijk aan het saldo tussen de cashflow en de verandering in het netto werkkapitaal. Conclusie is dat van de cashflow van € 180.000 er € 125.000 is omgezet in liquide middelen en de overige € 55.000 ‘vast ligt’ in het werkkapitaal (in dit geval met name in de voorraden).
- Stap 2 Kasstroom uit investeringsactiviteiten; bij de kasstroom uit investeringsactiviteiten staan de uitgaven (investeringen) en inkomsten (desinvesteringen) centraal die zijn gedaan om winst / kasstromen in de toekomst te genereren. In het voorbeeld is sprake van een desinvestering van een bedrijfsruimte van € 50.000 en een (uitbreidings)investering van € 70.000 in een Directieauto. Per saldo is er dus € 20.000 meer aan uitgaven uitgegaan (geïnvesteerd) dan aan inkomsten binnen gekomen (gedesinvesteerd).
- Stap 3 Kasstroom uit financieringsactiviteiten; ook een wijziging in de financiering leidt tot inkomsten dan wel een uitgave en moet als dusdanig in het kasstroomoverzicht worden meegenomen. Het gaat om inkomsten of uitgaven die het gevolg zijn van het aantrekken of aflossen van het lange termijn vermogen. Bijvoorbeeld door het aflossen van een schuld (uitgaande kasstroom) of het uitgeven van nieuwe aandelen (ingaande kasstroom). In het voorbeeld heeft geen inkoop of uitgifte van aandelen plaatsgevonden. Verder is de hypothecaire lening met € 100.000 verhoogd. Zij het dat de onderhandse lening met datzelfde bedrag is afgenomen. Per saldo is de kasstroom uit financieringsactiviteiten dan gelijk aan 0.
- Stap 4 Netto kasstroom; de netto kasstroom is het saldo van alle ingekomen en uitgaande gelden in een bepaalde periode. De netto kasstroom is het saldo van de operationele kasstroom en de kasstromen uit investeringen en financieringsactiviteiten. De netto kasstroom is per definitie altijd gelijk aan de mutatie van de liquide middelen tussen begin- en eindbalans. Dit is ook logisch omdat met het kasstroomoverzicht alle inkomsten en uitgaven van de andere balansposten in kaart zijn gebracht. Liquide middelen is in dat geval de rekenkundige sluitpost. In het voorbeeld is de netto kasstroom van € 105.000 gelijk aan de mutatie van de liquide middelen van € 105.000 (eindbalans - beginbalans liquide middelen, € 120.000 - € 15.000).
4 Financiële Ratio's & Kengetallen
- Winstgevenheid; de rentabiliteit van het totale vermogen en die van het eigen vermogen bedragen respectievelijk 25% ((€170.000 + € 50.000)/€880.000) en 47% ((€130.000 + €50.000))/€380.000). Daarmee kan gerust worden gesteld dat De Computerwinkel zeer winstgevend is. Van de bank zouden de investeerders van het eigen vermogen hoogstens 6% ontvangen terwijl ze nu een rendement van 47% behalen.
- Liquiditeit; De Computerwinkel is zeer liquide. De current ratio van 3,8 (€ 380.000/€100.000) en de quick ratio van 2,2 (€220.000/€100.000) komen zelfs ver boven de gewenste waarde uit. De direct beschikbare middelen zijn aanzienlijk hoger dan de kortlopende verplichtingen. Er is zelfs sprake van een werkkaptiaal c.q. liquiditeitsbuffer van € 280.000 (€380.000 - €100.000) waarmee onverwachte tegenvallers opgevangen kunnen worden. Advies aan De Computerwinkel is om de overliquiditeit te investeren zodat met deze investeringen rendement gegenereerd kan worden. Immers met banktegoeden en debiteuren genereer je niet of nauwelijks rendement.
- Solvabiliteit; de Computerwinkel is solvabel. De solvabiliteitsratio bedraagt 0,43 (€380.000/€880.000) en ligt daarmee boven de norm. De verschaffers van het vreemd vermogen zijn vrij zeker dat De Computerwinkel op termijn haar schulden zal aflossen. Het voordeel van De Computerwinkel van deze relatief hoge waarde van 0,43 is dat de Computerwinkel bij nieuwe leningen relatief lage rente hoeft te betalen. Immers het risico dat De Computerwinkel niet aflost is klein.
- Overige kengetallen; op de overige kengetallen scoort De Computerwinkel wisselend. Vooral de activiteitenratio's scoren niet goed. Zo staan de debiteuren gemiddeld 73 dagen open (€100.000/€500.000*365 dagen) en liggen de computers met 116 dagen (€160.000/€500.000*365 dagen) te lang in het magazijn. Als De Computerwinkel de vorderingen op debiteuren sneller weet te innen en een bewuster voorraadbeleid gaat voeren zal het rendement verder stijgen. Zie hiervoor ook het Du-pont-schema.
Op basis van de kengetallen voor winstgevendheid, liquiditeit en solvabiliteit is de conclusie dat De Computerwinkel financieel erg gezond is. Maar dat er mogelijkheden zijn om het rendement / de winst verder te verhogen door de omloopsnelheid van bijvoorbeeld de debiteuren en de voorraden te verbeteren. Waarschuwing; financiële ratio's en kengetallen geven inzicht in de winstgevendheid, liquiditeit en solvabiliteit van een organisatie. Niet voor niets gebruiken analisten (onder andere) deze ratio’s en kengetallen voor hun beslissingen. Tegelijkertijd moet u er zich van bewust zijn dat al deze ratio’s en kengetallen gebaseerd zijn op een boekhoudkundige werkelijkheid. Waarbij de balanswaardering en winstbepaling zijn gebaseerd op voorschriften die los staan van de werkelijke waarde van de onderneming.
5 Du-Pont-schema (Winstgevendheidsanalyse)

- Inkoopwaarde van de omzet; als je kijkt naar het Du-Pont-schema dan blijkt dat de inkoopwaarde van de omzet van de totale kosten het meest invloed heeft op de bruto-winstmarge. Stel dat je na onderhandelingen met de leverancier een besparing van 20% kan realiseren. De brutowinst stijgt dan met € 40.000. Waardoor de bruto-winstmarge stijgt van 44% naar 52% (€ 260.000 / € 500.000). De rentabiliteit van het totale vermogen stijgt van 25% naar 30%.
- Relatiegeschenken; de afdeling marketing ziet mogelijkheden om het bedrag voor relatiegeschenken met 50% terug te brengen tot € 5.000. De rentabiliteit stijgt van 25% naar 25,6% omdat de brutowinstmarge (bovenkant van het schema) stijgt van 44% (€ 220.000 / € 500.000) naar 45% (€ 225.000 / € 500.000). Het effect op de rentabiliteit is echter minimaal omdat de kosten van relatiegeschenken ten opzichte van de totale kosten beperkt is. Hoewel elke besparing er één is moet de focus van de organisatie zich eerst richten op die posten met een groter effect op de rentabiliteit.
- Voorraden; voorraden is een balanspost. Daarmee komen we aan de onderkant van het schema. Als je de omloopsnelheid van de voorraden verhoogd is minder vermogen nodig waardoor de omloopsnelheid van het totaal vermogen ook beter wordt. En daarmee weer de rentabiliteit. Zoals op de pagina Financiële ratio's en kengetallen al is vastgesteld is de omzetsnelheid van de voorraden te laag. Dat betekent dat er onnodig grote voorraden zijn waarin geïnvesteerd moet worden. Als je in staat bent om lagere voorraden aan te houden (omloopsnelheid van de voorraden te verhogen) dan heb je minder vermogen nodig om deze te financieren. Door nieuwe afspraken met de leverancier is De Computerwinkel in staat de termijn dat een computer in de voorraad ligt te verlagen van 116 dagen naar 58 dagen. Daarmee wordt het benodigde investering in voorraden ook lager, namelijk 58/365 * € 500.000 = 80.000. Het totale vermogen daalt dan ook met € 80.000 waardoor de omloopsnelheid van het totale vermogen stijgt van 0,57 naar 0,61. Waarmee de rentabiliteit stijg van 25% naar 27%.
- Liquide middelen; de liquide middelen zijn erg hoog. Het is geld waarmee slechts een klein rendement op de rekening-courant wordt verdiend. Stel dat € 20.000 aan kasgeld moet volstaan om de dagelijkse uitgaven te doen. Het verschil, een bedrag van € 100.000 is dus eigenlijk niet nodig. Door bijvoorbeeld de € 100.000 uit te keren aan de eigen vermogen verschaffers vermindert (zonder risico) de vlottende activa van € 380.000 naar € 280.000. Het totaal vermogen wordt daarmee uiteraard ook € 100.000 lager. Waardoor de omloopsnelheid van het totale vermogen stijgt van 0,57 naar 0,61. De rentabiliteit stijgt van 25%naar 28%. Het advies is dan ook om de € 100.000 uit te keren of te investeren in uitbreiding van de Computerwinkel. Niks doen, het geld op de bank laten staan, gaat ten koste van de rentabiliteit!

6 Kostprijsberekening
- De normale productie (N) is gelijk aan de te verwachte productie, 400 stuks.
- De verwachte verkoopprijs (Pb) is € 1.000.
- Eigen vermogensverschaffers (aandeelhouders) eisen een rendement van 9%.
- Terwijl de constante kosten (C), de kosten voor afschrijvingen, verzekeringen, verkoopkosten en interestkosten vooraf op € 200.000 zijn vastgesteld.
- De inkoopwaarde van de omzet bedraagt € 160.000. Ervan uitgaande dat inkoopprijs van elke computer € 400 bedraagt.

- Winstpercentage; de begrote winst bedraagt € 40.000. Uitgedrukt in een percentage van de te verwachte omzet bedraagt de brutowinst 10% (€ 40.000 / € 400.000).
- Rentabiliteit Eigen Vermogen (REV); omdat de interestkosten in de constante kosten zijn meegenomen komt de winst van € 40.000 ten goede aan de aandeelhouders. REV is gelijk aan netto winst gedeeld door het eigen vermogen. Dat is dus (zie beginbalans) € 40.000 / € 270.000 is 14,8%. Dat is aanzienlijk hoger dan het geëist rendement van 9%.
- Investeringsanalyse; de rentabiliteit op het eigen vermogen uit de huidige activiteiten bedraagt dus 14,8%. Om de rentabiliteit van 14,8% te handhaven moeten nieuwe investeringen minimaal een rendement opleveren van 14,8%. Is het rendement van de nieuwe investering lager dan 14,8% dan verwatert de rentabiliteit van het eigen vermogen. Wat inhoudt dat door de nieuwe investering de (gemiddelde) rentabiliteit over het eigen vermogen lager dan de huidige 14,8% wordt. En daar zijn de eigen vermogen verschaffers niet blij mee.
7 Nacalculatie & Verschillenanalyse
- De verwachte verkoopprijs (Pb) is gelijk aan de werkelijke verkoopprijs (Pw) van € 1.000.
- De constante kosten (C) zijn vooraf op € 200.000 vastgesteld. Terwijl ze in werkelijkheid € 170.000 waren (zie winst- & verliesrekening).
- De werkelijk inkoopwaarde van de omzet bedraagt € 200.000. Maar omdat het werkelijk aantal geproduceerde/verkochte producten 100 hoger ligt dan begroot blijven de variabele kosten € 400 per computer.
- Er zijn 500 computers verkocht. De werkelijk productie (W) was dus hoger dan de begrote productie (N) van 400 stuks.

- Verkoopprijsverschillen; er zijn geen verkoopprijsverschillen omdat begrote en gerealiseerde verkoopprijs aan elkaar gelijk zijn (allebei € 1.000).
- Verkoopvolumeverschil; omdat er 100 computers meer zijn verkocht dan begroot ontstaat een positief verkoopvolumeverschil. Het positieve verschil is gelijk aan (500-400) * begroot resultaat per computer. Dat is dus gelijk aan 100 * € 100 = € 10.000.
- Bezettingsresultaat; omdat er meer computers zijn geproduceerd / verkocht dan verwacht ontstaat een positief bezettingsresultaat. Immers met de normale verkoop van 400 stuks waren de contante kosten al gedekt. Het positief bezettingsresultaat is gelijk aan (500-400) x (€ 200.000/400) = € 50.000.
- Prijsverschillen variabele kosten; de begrote en werkelijke inkoopkosten van de computers zijn gelijk (€ 400). In de variabele kosten hebben zich dus geen prijsverschillen voorgedaan.
- Prijsverschillen contante kosten; prijsverschil van de contante kosten is gelijk aan de begrote constante kosten minus de gerealiseerde constante kosten. Het prijsverschil contante kosten is dus gelijk aan € 200.000 - € 170.000 = € 30.000.
De formules voor de verschillenanalyse zijn op de pagina Nacalculatie & Verschillenanalyse uitgewerkt. Conclusie is dat de werkelijke winst € 130.000 bedraagt. Terwijl de winst op € 40.000 is begroot (zie hoofdstuk 5 Kostprijsberekening). Het positieve verschil van € 90.000 wordt verklaard door lagere constante kosten van € 30.000 en een grotere verkoop dan geprognosticeerd dat resulteert in een positief bezettingsresultaat van € 50.000 en een positief verkoopvolumeverschil van € 10.000. Op basis van deze inzichten kan De Computerwinkel de kostprijsberekening beter aanpassen om zo tot een lagere meer reële kostprijzen te komen.
8 Financiering & Gemiddelde Kostenvoet

- Rentabiliteit; op basis van de gemiddelde kostenvoet van 6,3% is de conclusie dat de jaarlijkse winst minimaal 6,3% moet bedragen (uitgedrukt in % van het totale vermogen) omdat anders de Computerwinkel de eigen vermogensverschaffers hun geëist rendement van 9% niet kan uitbetalen.
- Investeringsanalyse; nieuwe investeringen moeten een minimaal rendement behalen van 6,3% om de eigen vermogen verschaffers tevreden te houden.
- Kort Vreemd Vermogen; het is relatief duur om kort vreemd vermogen aan te houden. Hoewel een optimale financieringsstructuur in de praktijk niet bestaat is er in ‘de markt’ wel consensus dat kort vreemd vermogen zoveel mogelijk moet worden vermeden.
9 Investeringsanalyse

- Jaarlijkse Kasstroom/Cashflow; uit de winst- & verliesrekening blijkt dat Computercity jaarlijks een netto verlies maakt van € 60.000. Tellen we daar de afschrijvingen bij op en de mutaties in het netto werkkapitaal (in dit voorbeeld gelijk aan € 0) dan ontstaat er een negatieve kasstroom van € 10.000.
Dus er gaat elkaar jaar € 10.000 meer uit dan dat er aan inkomsten binnen komt. Maar de controller ziet mogelijkheden. Door de computers bij de eigen leverancier in te kopen (besparing € 25.000) en een een kostenbesparing door te voeren (€ 15.000) wordt de negatieve kasstroom van € 10.000 een positieve kasstroom van € 30.000. Deze jaarlijkse kasstroom van € 30.000 staat in de verdere investeringsanalyse centraal.
- Terugverdienperiode; de terugverdienperiode is een methode om te bepalen in welke tijdsduur de investeringsuitgaven zijn terugverdiend. Een investering wordt minder interessant naarmate de terugverdienperiode langer wordt.
De risico's van de investeringen worden namelijk met de duur van de investering groter. De terugverdienperiode van dit voorbeeld is dus bijna 7 jaar. Dat wil zeggen dat de totale investering van € 200.000 binnen zeven jaar is terugverdiend. Afhankelijk van het soort investering dat u doet kunt u bepalen of de terugverdientijd te lang is (en daarmee te risicovol) of niet. De terugverdienperiode is een eenvoudige en snelle methode om een indicatie te krijgen of een investering al dan niet interessant is. De methode houdt echter geen rekening met (1) het risicoprofiel van de investering, (2) de kasstromen die na de terugverdienperiode nog binnenkomen en (3) de tijdsvoorkeur van deze kasstromen.
- Return on Investment ROI; de Engelse term Return on Investment betekent letterlijk 'rendement op de investering'. Het rendement c.q. winstpercentage van een investering kan men
berekenen door de specifieke opbrengst van een project te delen door de investering die daarvoor gedaan moet worden. Bij de ROI-methode wordt dus wel (i.t.t. de Terugverdienmethode) rekening gehouden met alle kasstromen die uit de investering voortvloeien. Het rendement van 20% is behoorlijk hoog. Toch wil dit nog niet alles zeggen. De ROI methode houdt namelijk geen rekening met (1) het risicoprofiel van de investering en (2) de tijdsvoorkeur van de kasstromen.
- Nette Contante Waarde-methode; investeerders hebben voor investeringsselectie een sterke voorkeur voor de Netto Contante Waarde methode (NCW).
Het grote voordeel van de NCW-methode is dat deze methode rekening houdt met tijdsvoorkeur. Geld wordt in de tijd immers minder waard. Bij de NCW-methode worden eerst alle uitgaven en inkomsten die te maken hebben met de investering gewaardeerd naar het moment dat de investeringsbeslissing wordt genomen. De Netto Contante Waarde van de kasstromen is in het rekenvoorbeeld (bij een disconteringsvoet van 7% en een oneindige kasstroom van € 30.000 per jaar) gelijk aan € 428.000. Vervolgens wordt de contante waarde van de investering berekend door de kosten van de investering
op de contant gemaakte cashflows in mindering te brengen. In dit rekenvoorbeeld is dus sprake van een netto waarde van de investering van € 228.000. Op basis van de NCW-methode zou het advies zijn om de concurrent over te nemen voor € 200.000. Vraag jezelf wel af of je de juiste disconteringsvoet hebt gebruikt. Want was deze bijvoorbeeld 15% geweest (bijvoorbeeld door het geëist rendement van de vermogen verschaffers als disconteringsvoet te gebruiken) dan zou de contante waarde van de kasstromen (30.000/0,15) precies gelijk zijn geweest aan het investeringsbedrag en zou de netto contante waarde van de investering gelijk zijn aan € 0.
- Interne Rentabiliteit; de interne rentabiliteit-methode lijkt heel erg op de Netto Contante Waarde-methode. Beide methoden houden rekening met de tijdsvoorkeur van geld.
Dat wil zeggen dat beide methoden de toekomstige kasstromen die voortvloeien uit de investering contant maken. Ze maken dan ook gebruik van dezelfde formule. Bij de NCW-methode is de disconteringsvoet echter een gegeven waarmee je de kasstromen contant maakt. Bij de methode van de interne rentabiliteit is de disconteringsvoet juist de uitkomst van de formule. De interne rentabiliteit is feitelijk het berekende winstpercentage van de investering zelf (vandaar het begrip 'interne rentabiliteit'). De disconteringsvoet c.q. winstpercentage van de investering wordt berekend door de contante waarde van de investering gelijk aan € 0 te stellen. Met het rekenvoorbeeld wordt dit duidelijk. De interne rentabiliteit bedraagt 6,66%. Met andere woorden de winstpercentage van de investering bedraagt 6,66%. Of dit nu een hoog of laag rendement is hangt van van de omstandigheden (zie pagina NCW).
Wel kun je alvast de interne rentabiliteit vergelijken met het rendement van de eigen vermogen verschaffers. Als deze hoger ligt dan 6,66% dan zullen de eigen vermogen verschaffers waarschijnlijk niet achter de investering staan. Omdat deze investering, hoewel winstgevend, de rentabiliteit over het gehele vermogen laat zakken. Meest opvallende verschil tussen de NCW-methode en de methode van de Interne Rentabiliteit is dat de NCW-methode een uitkomst oplevert wat wordt uitgedrukt in een absoluut getal. Terwijl de Interne Rentabiliteit-methode een winstpercentage oplevert. Deze laatste kun je eenvoudig vergelijken met het minimaal normrendement dat op investeringen gerealiseerd moet worden.
- Break-Even-analyse; deze investeringsselectie methode wijkt iets af van de bovenstaande methoden. Hier wordt niet de winstgevendheid van de investering berekend maar het break-even point, ook wel 'dood punt' of 'kritisch punt ' genoemd.
Het break-even-point is de afzet (of omzet) waarbij de totale opbrengsten gelijk zijn aan de totale kosten. Bij de berekende kritische afzet speelt de organisatie quitte. Een afzet lager dan het break-even punt, leidt tot verlies. Een afzet of omzet boven het break-even punt, levert winst op. Op basis van het rekenvoorbeeld dat is gebaseerd op de cijfers van de winst- & verliesrekening van Computercity bevindt de kritische afzet zich op 350 computers. Op basis van het 'kritisch punt' kan De Computerwinkel bepalen of de investering in Computercity reëel is. Als Computercity denkt maximaal 300 computers te kunnen afzetten dan moeten ze deze investering zeker niet doen. Maar bij een verwachte verkoop van 500 computers bedraagt de winst € 90.000 en is de investering winstgevend.
Conclusie Investeringsanalyse
Hoewel de ene methode meer inzicht geeft in de winstgevendheid van de investering dan de andere is er niet één methode die direct uitsluitsel geeft. De uitkomsten van de verschillende methoden moeten dan ook in samenhang beoordeeld worden om tot een juiste keuze te komen. Al blijkt in de praktijk dat investeerders vooral gebruik maken van NCW-methode en de methode van de Interne Rentabiliteit. Op basis van de verschillende methoden kun je in ieder geval afleiden dat de volgende criteria bepalend zijn bij een investeringsanalyse:- Kasstromen; bij investeringsselectie wordt altijd uitgegaan van het saldo van inkomsten en uitgaven, de zogenaamde kasstromen. Investeerders gaan in de berekeningen uit van kasstromen en niet van de netto winst omdat opbrengsten en kosten makkelijker beïnvloedbaar zijn. Op de pagina Kasstromen wordt het verschil tussen inkomsten & uitgaven en opbrengsten & kosten verder toegelicht.
- Investering & Restwaarde; bij de investeringsselectie worden alle uitgaven bij aanvang en gedurende het project bij de analyse betrokken. Dit geldt ook voor de inkomsten die uit de investering voortvloeien en een eventuele restwaarde die de investering met zich meebrengt.
- Tijdsvoorkeur; een bedrag van € 1.000 nu is meer waard dan € 1.000 over tien jaar. Immers als je de € 1.000 van nu op de bank zet tegen 3% dan is dat bedrag van nu over 10 jaar gelijk aan van de € 1.344. Dat is de reden dat bij investeringsselectie kasstromen altijd contant worden gemaakt. Wat wil zeggen dat toekomstige kasstromen worden gewaardeerd tegen de geldwaarde van nu. Alleen dan kun je een juiste afweging maken tussen inkomsten en uitgaven die voortvloeien uit de investering.
- Terugverdienperiode; is ook een belangrijke variabele omdat kasstromen in de tijd steeds onzekerder worden. Immers de omgeving verandert continu. Naarmate de periode waarover de investering moet worden terugverdiend langer wordt hoe groter de kans dat de kasstromen vanwege deze veranderingen zullen afwijken van de kasstromen die nu bij de investeringsselectie worden gehanteerd.
- Hoogte disconteringsvoet; zoals uit het rekenvoorbeeld blijkt heeft de hoogte van de disconteringsvoet grote invloed op de hoogte van de contante waarde van de kasstromen. Het is dus belangrijk om vast te stellen welke disconteringsvoet je wil hanteren. Gebruik je de marktrente plus een risico-opslag, de rentabiliteit van het eigen vermogen of de rentabiliteit van het totale vermogen? Afhankelijk van het doel bepaal je de juiste disconteringsvoet.
- Absoluut bedrag of percentage?; soms spreekt een absoluut bedrag meer tot de verbeelding. Maar vaak kiezen investeerders ervoor om de kasstromen uit te drukken in een percentage van het geïnvesteerd vermogen. Om zo te kijken of de investering bijdraagt aan de rentabiliteit van bijvoorbeeld de eigen vermogen verschaffers. Dat is de reden dat de methode van de Interne Rentabiliteit voor investeerders de voorkeur heeft boven de NCW-methode.
- Risicoprofiel; tenslotte is het risicoprofiel van de investering een belangrijke variabele. Immers de met de investering gepaarde risico's bepalen hoeveel rendement de investeerders eisen. Is het risicoprofiel van de investering hoger dan de andere activiteiten binnen de organisatie dan zal de disconteringsvoet hoger moeten zijn dan de rentabiliteit op het eigen vermogen. Immers de investering verandert het risicoprofiel van de gehele organisatie.