Hét Grote Rekenvoorbeeld

 

Inhoudsopgave

Naar analogie van 'Het Grote Dictee' is op deze pagina 'Het Grote Rekenvoorbeeld' uitgewerkt. Aan de hand van een cijfervoorbeeld van De Computerwinkel worden bedrijfseconomische begrippen toegelicht, cijfermatig onderbouwd en met elkaar in relatie gebracht.
 

1   Winst- & Verliesrekening

2   Balans

3   Kasstroomoverzicht

4   Financiële Ratio's en Kengetallen

5   DU-Pont-schema (Winstgevendheidsanalyse)

6   Kostprijsberekeningen

7   Nacalculatie & Verschillenanalyse

8   Financiering & Gemiddelde Kostenvoet

9   Investeringsanalyse

 
 

1   Winst- & Verliesrekening

De computerwinkel op de hoek heeft vorig jaar 500 computers verkocht voor € 1.000 per stuk. Terwijl de inkoopwaarde van de computers € 400 bedroeg. De bedrijfskosten (€ 130.000) bestonden uit afschrijvingen, verzekeringen, relatiegeschenken en verkoopkosten. Verder moest er over een lening rentekosten worden betaald (€ 40.000) en waren er inkomsten uit het aanhouden van effecten (€ 30.000). Tenslotte waren er nog eenmalige opbrengsten en kosten voor respectievelijk verkoop van een pand (€ 50.000) en reorganisatiekosten (€ 30.000). De Winst- & Verliesrekening ziet er dan als volgt uit:

 

 
In essentie is het dus eenvoudig om een Winst- & Verliesrekening op te stellen en de winst te berekenen. De opbrengsten minus de kosten is de winst. De praktijk is zoals altijd weerbarstiger! Enerzijds omdat begrippen zoals opbrengsten, kosten en winst op verschillende manieren geïnterpreteerd kunnen worden (pagina Winst- & Verliesrekening). Anderzijds blijkt het in de praktijk lastig om opbrengsten en kosten aan meerdere boekjaren toe te delen (pagina Waarderingsgrondslagen).
Terug naar inhoudsopgave
 
 

2   Balans

Een balans geeft de financiële situatie van een organisatie weer. De balans geeft inzicht in de structuur en gezondheid van de financiën van een organisatie. Een balans zegt iets over de mate waarin een organisatie op korte én lange termijn aan haar verplichtingen kan voldoen. Verder geeft een balans inzicht over welke bezittingen (activa) een organisatie beschikt en hoe deze worden gefinancierd (passiva). En als de balansen van een organisatie over 5 jaar naast elkaar worden gezet ontstaat een goed beeld hoe goed de organisatie het financieel doet. Een balans is, zoals het woord al zegt, altijd in evenwicht. De Computerwinkel heeft aan het begin van het jaar de volgende balans:
 
 
  
Een vergelijking tussen de balansen op opeenvolgende balansdata (meestal met een periode van één jaar) geeft een indicatie van de ontwikkeling van de financiële positie. Op basis van de balans van 1/1 en de winst- & verliesrekening van 2015 is hieronder de balans van de computerwinkel op 31/12/2015 opgesteld.
 

 

Te zien is dat het vermogen (bezittingen én schulden) van de computerwinkel op 31/12 ten opzichte van het begin van het jaar met € 130.000 is toegenomen. Op basis van de winst- & verliesrekening en de begin- en eindbalans kun je de volgende conclusies trekken:
 
  • Bezittingen (activa); de bezittingen zijn met € 130.000 toegenomen.
  • Bedrijfsruimte 1; de waarde van de bedrijfsruimte is gedaald met € 50.000 (waarvan 20.000 waardevermindering en 30.000 afschrijvingen).
  • Bedrijfsruimte 2; de bedrijfsruimte van € 50.000 is verkocht en komt niet meer op de balans voor per 31/12.
  • Bestelbusje; het bestelbusje is als gevolg van afschrijvingen met € 20.000 in waarde gedaald.
  • Directieauto; er heeft een investering plaatsgevonden van € 70.000 waar in het boekjaar 2015 nog geen afschrijvingen over hebben plaatsgevonden.
  • Vlottende activa; de voorraden, debiteuren en liquide middelen zijn toegenomen met respectievelijk € 60.000, € 15.000 en € 105.000.
  • Totale activa; de bezittingen zijn dus per saldo (- € 50.000, - € 50.000, - € 20.000, + € 70.000, + € 60.000, + € 15.000 + € 105.000,) met € 130.000 toegenomen.
 
Als de waarde van de bezittingen met € 130.000 is gestegen dan is per definitie ook de waarde van de passiva c.q. het vermogen met € 130.000 gestegen. Uit de begin- en eindbalans blijkt dat het lang vreemd vermogen van de computerwinkel gedurende het jaar niet is gewijzigd. Deze blijft € 400.000. De schulden aan leveranciers is met € 20.000 toegenomen ten opzichte van het begin van het jaar. Dus van de stijging van het totale vermogen van € 130.000 wordt € 20.000 verklaard door een stijging van de uitstaande bedragen bij crediteuren. Omdat er verder geen wijzigingen in het vreemd vermogen hebben plaatsgevonden is de financiële positie, het eigen vermogen van de computerwinkel dus per saldo met € 110.000 toegenomen. En dat klopt in het voorbeeld!.
Terug naar inhoudsopgave
 
 

3   Kasstroomoverzicht

De winst- & verliesrekening en de balans zeggen echter niet alles. Je kunt prachtige winsten maken en toch failliet gaan. Dat heeft alles te maken met het verschil tussen opbrengsten & kosten en inkomsten & uitgaven (zie pagina kasstromen). Vandaar dat er naast de winst- & verliesrekening en de balans ook een kasstroomoverzicht aan de jaarrekening wordt toegevoegd. Waarbij het kasstroomoverzicht zich alleen richt op de inkomsten en uitgaven. Aan de hand van het voorbeeld van De Computerwinkel wordt duidelijk dat het kasstroomoverzicht wordt opgesteld op basis van de cijfers uit de winst- & verliesrekening en de balans. 
 
 

 
Om tot het kasstroomoverzicht te komen moeten de volgende 4 stappen worden gezet:
 
  • Stap 1   Operationele kasstroom; de operationele kasstroom bepaalt of een organisatie uit haar normale bedrijfsvoering per saldo meer inkomsten heeft dan uitgaven (of in het minder gunstige geval meer uitgaven dan inkomsten). Door de netto winst te corrigeren van de afschrijvingen (kosten die niet tot een uitgave hebben geleid) ontstaat de cashflow. Tel je daarbij op de (des)investering in het werkkapitaal en je krijgt de operationele kasstroom. In het voorbeeld: toename werkkapitaal wordt berekend door van de stijging van de waarde van de voorraden en debiteuren (respectievelijk € 60.000 +€ 15.000) te verminderen met stijging van de waarde van de crediteuren en het krediet bij de bank (respectievelijk € 20.000 en € 0). De toename van het werkkapitaal bedraagt per saldo in 2015 € 55.000. De operationele kasstroom is dus gelijk aan het saldo tussen de cashflow en de verandering in het netto werkkapitaal. Conclusie is dat van de cashflow van € 180.000 er € 125.000 is omgezet in liquide middelen en de overige € 55.000 ‘vast ligt’ in het werkkapitaal (in dit geval met name in de voorraden).
  • Stap 2   Kasstroom uit investeringsactiviteiten; bij de kasstroom uit investeringsactiviteiten staan de uitgaven (investeringen) en inkomsten (desinvesteringen) centraal die zijn gedaan om winst / kasstromen in de toekomst te genereren. In het voorbeeld is sprake van een desinvestering van een bedrijfsruimte van € 50.000 en een (uitbreidings)investering van € 70.000 in een Directieauto. Per saldo is er dus € 20.000 meer aan uitgaven uitgegaan (geïnvesteerd) dan aan inkomsten binnen gekomen (gedesinvesteerd). 
  • Stap 3   Kasstroom uit financieringsactiviteiten; ook een wijziging in de financiering leidt tot inkomsten dan wel een uitgave en moet als dusdanig in het kasstroomoverzicht worden meegenomen. Het gaat om inkomsten of uitgaven die het gevolg zijn van het aantrekken of aflossen van het lange termijn vermogen. Bijvoorbeeld door het aflossen van een schuld (uitgaande kasstroom) of het uitgeven van nieuwe aandelen (ingaande kasstroom). In het voorbeeld heeft geen inkoop of uitgifte van aandelen plaatsgevonden. Verder is de hypothecaire lening met € 100.000 verhoogd. Zij het dat de onderhandse lening met datzelfde bedrag is afgenomen. Per saldo is de kasstroom uit financieringsactiviteiten dan gelijk aan 0.
  • Stap 4   Netto kasstroom; de netto kasstroom is het saldo van alle ingekomen en uitgaande gelden in een bepaalde periode. De netto kasstroom is het saldo van de operationele kasstroom en de kasstromen uit investeringen en financieringsactiviteiten. De netto kasstroom is per definitie altijd gelijk aan de mutatie van de liquide middelen tussen begin- en eindbalans. Dit is ook logisch omdat met het kasstroomoverzicht alle inkomsten en uitgaven van de andere balansposten in kaart zijn gebracht. Liquide middelen is in dat geval de rekenkundige sluitpost. In het voorbeeld is de netto kasstroom van € 105.000 gelijk aan de mutatie van de liquide middelen van € 105.000 (eindbalans - beginbalans liquide middelen, € 120.000 - € 15.000).
Terug naar inhoudsopgave
 
 

4   Financiële Ratio's & Kengetallen

De winst- & verliesrekening, de balans en het kasstroomoverzicht geven belangrijke informatie over de prestaties en financiële gezondheid van een organisatie. Omdat absolute bedragen niet veel betekenis hebben worden de prestaties en de financiële gezondheid van organisaties veelal in ratio’s uitgedrukt. Deze geven meer informatie over bijvoorbeeld de winstgevendheid, doelmatigheid en liquiditeit van de organisatie. Op de pagina Financiële Ratio's en Kengetallen worden de kengetallen en de theorie toegelicht. Hier worden de belangrijkste ratio's voor De Computerwinkel behandeld.
 
  • Winstgevenheid; de rentabiliteit van het totale vermogen en die van het eigen vermogen bedragen respectievelijk 25% ((€170.000 + € 50.000)/€880.000) en 47% ((€130.000 + €50.000))/€380.000). Daarmee kan gerust worden gesteld dat De Computerwinkel zeer winstgevend is. Van de bank zouden de investeerders van het eigen vermogen hoogstens 6% ontvangen terwijl ze nu een rendement van 47% behalen. 
  • Liquiditeit; De Computerwinkel is zeer liquide. De current ratio van 3,8 (€ 380.000/€100.000) en de quick ratio van 2,2 (€220.000/€100.000) komen zelfs ver boven de gewenste waarde uit. De direct beschikbare middelen zijn aanzienlijk hoger dan de kortlopende verplichtingen. Er is zelfs sprake van een werkkaptiaal c.q. liquiditeitsbuffer van € 280.000 (€380.000 - €100.000) waarmee onverwachte tegenvallers opgevangen kunnen worden. Advies aan De Computerwinkel is om de overliquiditeit te investeren zodat met deze investeringen rendement gegenereerd kan worden. Immers met banktegoeden en debiteuren genereer je niet of nauwelijks rendement.
  • Solvabiliteit; de Computerwinkel is solvabel. De solvabiliteitsratio bedraagt 0,43 (€380.000/€880.000) en ligt daarmee boven de norm. De verschaffers van het vreemd vermogen zijn vrij zeker dat De Computerwinkel op termijn haar schulden zal aflossen. Het voordeel van De Computerwinkel van deze relatief hoge waarde van 0,43 is dat de Computerwinkel bij nieuwe leningen relatief lage rente hoeft te betalen. Immers het risico dat De Computerwinkel niet aflost is klein.
  • Overige kengetallen; op de overige kengetallen scoort De Computerwinkel wisselend. Vooral de activiteitenratio's scoren niet goed. Zo staan de debiteuren gemiddeld 73 dagen open (€100.000/€500.000*365 dagen) en liggen de computers met 116 dagen (€160.000/€500.000*365 dagen) te lang in het magazijn. Als De Computerwinkel de vorderingen op debiteuren sneller weet te innen en een bewuster voorraadbeleid gaat voeren zal het rendement verder stijgen. Zie hiervoor ook het Du-pont-schema.

 

Op basis van de kengetallen voor winstgevendheid, liquiditeit en solvabiliteit is de conclusie dat De Computerwinkel financieel erg gezond is. Maar dat er mogelijkheden zijn om het rendement / de winst verder te verhogen door de omloopsnelheid van bijvoorbeeld de debiteuren en de voorraden te verbeteren. Waarschuwing; financiële ratio's en kengetallen geven inzicht in de winstgevendheid, liquiditeit en solvabiliteit van een organisatie. Niet voor niets gebruiken analisten (onder andere) deze ratio’s en kengetallen voor hun beslissingen. Tegelijkertijd moet u er zich van bewust zijn dat al deze ratio’s en kengetallen gebaseerd zijn op een boekhoudkundige werkelijkheid. Waarbij de balanswaardering  en winstbepaling zijn gebaseerd op voorschriften die los staan van de werkelijke waarde van de onderneming.

Terug naar inhoudsopgave
 
 

5   Du-Pont-schema (Winstgevendheidsanalyse)

In hoofdstuk 4 van deze pagina (Financiële ratio's en kengetallen) werd al duidelijk dat de rentabiliteit van het totale vermogen en die van het eigen vermogen respectievelijk 25% ((€170.000 + € 50.000)/€880.000) en 47% ((€130.000 + € 50.000)/€380.000) bedragen. Daarmee kan gerust worden gesteld dat De Computerwinkel behoorlijk winstgevend is. De vraag is nu wat de Computerwinkel kan doen om de rentabiliteit verder te verhogen. Met behulp van het Du-Pont-schema wordt duidelijk hoe De Computerwinkel de rentabiliteit op het totale vermogen van 25% kan verbeteren. Het schema herleidt de rentabiliteit van 25% op het totale vermogen naar individuele winst- & verlies en balansposten waar vervoglens op gestuurd kan worden.
 
 
 
Op basis van bovenstaande Du-Pont-schema wordt al snel duidelijk wat de mogelijkheden zijn om de rentabiliteit van 25% te verhogen. Richt je daarbij vooral op die winst- en verliesposten & balansposten die grote invloed hebben op de brutowinstmarge en de omloopsnelheid. Dit doe je door je te richten op de grootste bedragen helemaal rechts in het schema.
 
  • Inkoopwaarde van de omzet; als je kijkt naar het Du-Pont-schema dan blijkt dat de inkoopwaarde van de omzet van de totale kosten het meest invloed heeft op de bruto-winstmarge. Stel dat je na onderhandelingen met de leverancier een besparing van 20% kan realiseren. De brutowinst stijgt dan met € 40.000. Waardoor de bruto-winstmarge stijgt van 44% naar 52% (€ 260.000 / € 500.000). De rentabiliteit van het totale vermogen stijgt van 25% naar 30%.
  • Relatiegeschenken; de afdeling marketing ziet mogelijkheden om het bedrag voor relatiegeschenken met 50% terug te brengen tot € 5.000. De rentabiliteit stijgt van 25% naar 25,6% omdat de brutowinstmarge (bovenkant van het schema) stijgt van 44% (€ 220.000 / € 500.000) naar 45% (€ 225.000 / € 500.000). Het effect op de rentabiliteit is echter minimaal omdat de kosten van relatiegeschenken ten opzichte van de totale kosten beperkt is. Hoewel elke besparing er één is moet de focus van de organisatie zich eerst richten op die posten met een groter effect op de rentabiliteit.
  • Voorraden; voorraden is een balanspost. Daarmee komen we aan de onderkant van het schema. Als je de omloopsnelheid van de voorraden verhoogd is minder vermogen nodig waardoor de omloopsnelheid van het totaal vermogen ook beter wordt. En daarmee weer de rentabiliteit. Zoals op de pagina Financiële ratio's en kengetallen al is vastgesteld is de omzetsnelheid van de voorraden te laag. Dat betekent dat er onnodig grote voorraden zijn waarin geïnvesteerd moet worden. Als je in staat bent om lagere voorraden aan te houden (omloopsnelheid van de voorraden te verhogen) dan heb je minder vermogen nodig om deze te financieren. Door nieuwe afspraken met de leverancier is De Computerwinkel in staat de termijn dat een computer in de voorraad ligt te verlagen van 116 dagen naar 58 dagen. Daarmee wordt het benodigde investering in voorraden ook lager, namelijk 58/365 * € 500.000 = 80.000. Het totale vermogen daalt dan ook met € 80.000 waardoor de omloopsnelheid van het totale vermogen stijgt van 0,57 naar 0,61. Waarmee de rentabiliteit stijg van 25% naar 27%.
  • Liquide middelen; de liquide middelen zijn erg hoog. Het is geld waarmee slechts een klein rendement op de rekening-courant wordt verdiend. Stel dat € 20.000 aan kasgeld moet volstaan om de dagelijkse uitgaven te doen. Het verschil, een bedrag van € 100.000 is dus eigenlijk niet nodig. Door bijvoorbeeld de € 100.000 uit te keren aan de eigen vermogen verschaffers vermindert (zonder risico) de vlottende activa van € 380.000 naar € 280.000. Het totaal vermogen wordt daarmee uiteraard ook € 100.000 lager. Waardoor de omloopsnelheid van het totale vermogen stijgt van 0,57 naar 0,61. De rentabiliteit stijgt van 25%naar 28%. Het advies is dan ook om de € 100.000 uit te keren of te investeren in uitbreiding van de Computerwinkel. Niks doen, het geld op de bank laten staan, gaat ten koste van de rentabiliteit!
 
De eigenaar van De Computerwinkel heeft de adviezen ter harte genomen en heeft deze in het afgelopen jaar doorgevoerd. Onderstaande Du-Pont-schema laat zien dat De Computerwinkel de rentabiliteit heeft weten te verhogen van 25% naar 38%.
 
 
 
Met het rekenvoorbeeld wordt op eenvoudige wijze duidelijk wat het effect is van het verhogen van de omloopsnelheid van de voorraden, liquide middelen of debiteuren op de rentabiliteit. Maar ook het effect van besparingen op de rentabiliteit kun je met het Du-Pont-schema doorrekenen. Het Du-Pont-schema is een goed instrument om de rentabiliteit c.q. winstgevendheid van een organisatie te doorgronden. En het geeft concrete handvatten aan welke 'knoppen' je moet draaien om de rentabiliteit verder te vergroten.
Terug naar inhoudsopgave
 
 

6   Kostprijsberekening

Op de pagina Kosten & Kostprijzen wordt de noodzaak van kostprijsberekeningen duidelijk. Ook worden verschillen methodieken en formules toegelicht. Op deze pagina staat de uitwerking van het voorbeeld van De Computerwinkel centraal. In de begroting van De Computerwinkel zijn de volgende cijfers opgenomen:
 
  1. De normale productie (N) is gelijk aan de te verwachte productie, 400 stuks.
  2. De verwachte verkoopprijs (Pb) is € 1.000.
  3. Eigen vermogensverschaffers (aandeelhouders) eisen een rendement van 9%.
  4. Terwijl de constante kosten (C), de kosten voor afschrijvingen, verzekeringen, verkoopkosten en interestkosten vooraf op € 200.000 zijn vastgesteld.
  5. De inkoopwaarde van de omzet bedraagt € 160.000. Ervan uitgaande dat inkoopprijs van elke computer € 400 bedraagt.
Bij een verwachte verkoopprijs van € 1.000 per computer wordt er een operationele winst begroot van € 100,- per computer. Bij normale verkoop van 400 computers bedraagt de (operationele) winst 400 x € 100 = € 40.000. Wat voor inzichten geeft dit nu:
 
  • Winstpercentage; de begrote winst bedraagt € 40.000. Uitgedrukt in een percentage van de te verwachte omzet bedraagt de brutowinst 10% (€ 40.000 / € 400.000).
  • Rentabiliteit Eigen Vermogen (REV); omdat de interestkosten in de constante kosten zijn meegenomen komt de winst van € 40.000 ten goede aan de aandeelhouders. REV is gelijk aan netto winst gedeeld door het eigen vermogen. Dat is dus (zie beginbalans) € 40.000 / € 270.000 is 14,8%. Dat is aanzienlijk hoger dan het geëist rendement van 9%.
  • Investeringsanalyse; de rentabiliteit op het eigen vermogen uit de huidige activiteiten bedraagt dus 14,8%. Om de rentabiliteit van 14,8% te handhaven moeten nieuwe investeringen minimaal een rendement opleveren van 14,8%. Is het rendement van de nieuwe investering lager dan 14,8% dan verwatert de rentabiliteit van het eigen vermogen. Wat inhoudt dat door de nieuwe investering de (gemiddelde) rentabiliteit over het eigen vermogen lager dan de huidige 14,8% wordt. En daar zijn de eigen vermogen verschaffers niet blij mee.
Terug naar inhoudsopgave
 
 

7   Nacalculatie & Verschillenanalyse

Kostprijsberekening en budgetteren zijn vormen van voorcalculatie. Een nacalculatie is een berekening van de opbrengsten en kosten die achteraf plaatsvind. Op de pagina Nacalculatie & Verschillenanalyse wordt duidelijk welke verschillen zich voor kunnen doen en welke formules je kunt gebruiken om deze verschillen te berekenen. Hier wordt verder ingegaan op het voorbeeld van De Computerwinkel. Inmiddels is het 2015 jaar voorbij en is er een winst- & verliesrekening en een eindbalans opgesteld (zie hoofdstuk 1 en 2 bovenaan deze pagina). Nu kan er nacalculatie en een verschillenanalyse plaatsvinden.
 
  • De verwachte verkoopprijs (Pb) is gelijk aan de werkelijke verkoopprijs (Pw) van € 1.000. 
  • De constante kosten (C) zijn vooraf op € 200.000 vastgesteld. Terwijl ze in werkelijkheid € 170.000 waren (zie winst- & verliesrekening). 
  • De werkelijk inkoopwaarde van de omzet bedraagt € 200.000. Maar omdat het werkelijk aantal geproduceerde/verkochte producten 100 hoger ligt dan begroot blijven de variabele kosten € 400 per computer. 
  • Er zijn 500 computers verkocht. De werkelijk productie (W) was dus hoger dan de begrote productie (N) van 400 stuks.
 
Op basis van de cijfers uit de winst- & verliesrekening komen we dan tot een gerealiseerde kostprijs van: 
 
 
De werkelijke (gerealiseerde) kostprijs van € 825 is € 75 lager dan de begrote kostprijs van € 900. De operationele winst per computer is gestegen van € 100 naar € 175. Op basis van de voor- en nacalculatorische kostprijs en de winst- en verliesrekening worden de volgende verschillen tussen de begrote winst (€ 40.000) en de gerealiseerde winst (€ 130.000) onderscheiden: 
 
  • Verkoopprijsverschillen; er zijn geen verkoopprijsverschillen omdat begrote en gerealiseerde verkoopprijs aan elkaar gelijk zijn (allebei € 1.000).
  • Verkoopvolumeverschil; omdat er 100 computers meer zijn verkocht dan begroot ontstaat een positief verkoopvolumeverschil. Het positieve verschil is gelijk aan (500-400) * begroot resultaat per computer. Dat is dus gelijk aan 100 * € 100 = € 10.000.
  • Bezettingsresultaat; omdat er meer computers zijn geproduceerd / verkocht dan verwacht ontstaat een positief bezettingsresultaat. Immers met de normale verkoop van 400 stuks waren de contante kosten al gedekt. Het positief bezettingsresultaat is gelijk aan (500-400) x (€ 200.000/400) = € 50.000.
  • Prijsverschillen variabele kosten; de begrote en werkelijke inkoopkosten van de computers zijn gelijk (€ 400). In de variabele kosten hebben zich dus geen prijsverschillen voorgedaan.
  • Prijsverschillen contante kosten; prijsverschil van de contante kosten is gelijk aan de begrote constante kosten minus de gerealiseerde constante kosten. Het prijsverschil contante kosten is dus gelijk aan € 200.000 - € 170.000 = € 30.000.  
 

De formules voor de verschillenanalyse zijn op de pagina Nacalculatie & Verschillenanalyse uitgewerkt. Conclusie is dat de werkelijke winst € 130.000 bedraagt. Terwijl de winst op € 40.000 is begroot (zie hoofdstuk 5 Kostprijsberekening). Het positieve verschil van € 90.000 wordt verklaard door lagere constante kosten van € 30.000 en een grotere verkoop dan geprognosticeerd dat resulteert in een positief bezettingsresultaat van € 50.000 en een positief verkoopvolumeverschil van € 10.000. Op basis van deze inzichten kan De Computerwinkel de kostprijsberekening beter aanpassen om zo tot een lagere meer reële kostprijzen te komen.

Terug naar inhoudsopgave
 
 

8   Financiering & Gemiddelde Kostenvoet

Met financiering wordt bedoeld de wijze waarop de activiteiten van een organisatie worden betaald. Op de pagina Optimale Financieringsstructuur wordt ingegaan op de vraag of er een optimale verhouding bestaat tussen het eigen- en vreemd vermogen. Er wordt antwoord gegeven op de vraag of financieringsbeslissingen bijdragen aan winstgevendheid c.q. marktwaarde van de organisatie. Ook wordt op de pagina optimale financieringsstructuur de rol van de gemiddelde kostenvoet in het vakgebied van Financiering duidelijk. Op deze pagina wordt de gemiddelde kostenvoet voor De Computerwinkel berekend. En wordt toegelicht wat deze nu precies inhoudt. Omdat we het hebben over de financierings- of vermogensstructuur is het natuurlijk handig om de balans, waar het (boekhoudkundige) vermogen op de passivazijde staat vermeld, als uitgangspunt te nemen. Zie de balans in hoofdstuk 2 hierboven. Stel nu dat de aandeelhouders een rendement (Rentabiliteit Eigen Vermogen) eisen van 9%. De intrestpercentage op het KVV bedraagt gemiddeld 12% en op het LVV 5%. De gemiddelde kostenvoet bedraagt dan:
 

 
De gemiddelde kostenvoet van De Computerwinkel bedraagt dus 6,3%. Wat geeft deze gemiddelde kostenvoet van 6,3% nu voor informatie?
 
  • Rentabiliteit; op basis van de gemiddelde kostenvoet van 6,3% is de conclusie dat de jaarlijkse winst minimaal 6,3% moet bedragen (uitgedrukt in % van het totale vermogen) omdat anders de Computerwinkel de eigen vermogensverschaffers hun geëist rendement van 9% niet kan uitbetalen.
  • Investeringsanalyse; nieuwe investeringen moeten een minimaal rendement behalen van 6,3% om de eigen vermogen verschaffers tevreden te houden.
  • Kort Vreemd Vermogen; het is relatief duur om kort vreemd vermogen aan te houden. Hoewel een optimale financieringsstructuur in de praktijk niet bestaat is er in ‘de markt’ wel consensus dat kort vreemd vermogen zoveel mogelijk moet worden vermeden.
Terug naar inhoudsopgave
 
 

9   Investeringsanalyse

Zoals eerder al bleek is De Computerwinkel financieel gezond en behoorlijk winstgevend. De Computerwinkel wil dan ook uitbreiden. Onverwachts doet zich een mogelijkheid voor om door een overname sneller te groeien. Een computerwinkel in een ander deel van de stad, onder de naam Computercity, dreigt failliet te gaan en wordt te koop aangeboden voor € 200.000. De Computerwinkel overweegt serieus Computercity over te nemen en gaat een investeringsanalyse uitvoeren. Hiertoe vraagt zij de winst- & verliesrekening en de balans op bij Computercity om zo een aantal berekeningen uit te voeren.
 
 
 
De opgevraagde balans van Computercity ziet er als volgt uit:
 
 

 
Nu is de vraag of De Computerwinkel Computercity moet overnemen of niet. Hiertoe voert de controller van De Computerwinkel een aantal analyses uit die een indruk geven over de winstgevendheid van de mogelijke overname. Bij deze analyses vormt de cashflow (kasstroom) een centraal element omdat in de analyses de kasstroom wordt afgezet tegen het geïnvesteerd vermogen die gedaan moet worden in Computercity. Op de pagina Kasstroom/Cashflow wordt toegelicht waarom investeerders daarbij liever uitgaan van een kasstroom dan van de netto winst. 
 
  1. Jaarlijkse Kasstroom/Cashflow; uit de winst- & verliesrekening blijkt dat Computercity jaarlijks een netto verlies maakt van € 60.000. Tellen we daar de afschrijvingen bij op en de mutaties in het netto werkkapitaal (in dit voorbeeld gelijk aan € 0) dan ontstaat er een negatieve kasstroom van € 10.000. Dus er gaat elkaar jaar € 10.000 meer uit dan dat er aan inkomsten binnen komt. Maar de controller ziet mogelijkheden. Door de computers bij de eigen leverancier in te kopen (besparing € 25.000) en een een kostenbesparing door te voeren (€ 15.000) wordt de negatieve kasstroom van € 10.000 een positieve kasstroom van € 30.000. Deze jaarlijkse kasstroom van € 30.000 staat in de verdere investeringsanalyse centraal.
  2. Terugverdienperiode; de terugverdienperiode is een methode om te bepalen in welke tijdsduur de investeringsuitgaven zijn terugverdiend. Een investering wordt minder interessant naarmate de terugverdienperiode langer wordt. De risico's van de investeringen worden namelijk met de duur van de investering groter. De terugverdienperiode van dit voorbeeld is dus bijna 7 jaar. Dat wil zeggen dat de totale investering van € 200.000 binnen zeven jaar is terugverdiend. Afhankelijk van het soort investering dat u doet kunt u bepalen of de terugverdientijd te lang is (en daarmee te risicovol) of niet. De terugverdienperiode is een eenvoudige en snelle methode om een indicatie te krijgen of een investering al dan niet interessant is. De methode houdt echter geen rekening met (1) het risicoprofiel van de investering, (2) de kasstromen die na de terugverdienperiode nog binnenkomen en (3) de tijdsvoorkeur van deze kasstromen.
  3. Return on Investment ROI; de Engelse term Return on Investment betekent letterlijk 'rendement op de investering'. Het rendement c.q. winstpercentage van een investering kan men berekenen door de specifieke opbrengst van een project te delen door de investering die daarvoor gedaan moet worden. Bij de ROI-methode wordt dus wel (i.t.t. de Terugverdienmethode) rekening gehouden met alle kasstromen die uit de investering voortvloeien. Het rendement van 20% is behoorlijk hoog. Toch wil dit nog niet alles zeggen. De ROI methode houdt namelijk geen rekening met (1) het risicoprofiel van de investering en (2) de tijdsvoorkeur van de kasstromen.
  4. Nette Contante Waarde-methode; investeerders hebben voor investeringsselectie een sterke voorkeur voor de Netto Contante Waarde methode (NCW). Het grote voordeel van de NCW-methode is dat deze methode rekening houdt met tijdsvoorkeur. Geld wordt in de tijd immers minder waard. Bij de NCW-methode worden eerst alle uitgaven en inkomsten die te maken hebben met de investering gewaardeerd naar het moment dat de investeringsbeslissing wordt genomen. De Netto Contante Waarde van de kasstromen is in het rekenvoorbeeld (bij een disconteringsvoet van 7% en een oneindige kasstroom van € 30.000 per jaar) gelijk aan € 428.000. Vervolgens wordt de contante waarde van de investering berekend door de kosten van de investering op de contant gemaakte cashflows in mindering te brengen. In dit rekenvoorbeeld is dus sprake van een netto waarde van de investering van € 228.000. Op basis van de NCW-methode zou het advies zijn om de concurrent over te nemen voor € 200.000. Vraag jezelf wel af of je de juiste disconteringsvoet hebt gebruikt. Want was deze bijvoorbeeld 15% geweest (bijvoorbeeld door het geëist rendement van de vermogen verschaffers als disconteringsvoet te gebruiken) dan zou de contante waarde van de kasstromen (30.000/0,15) precies gelijk zijn geweest aan het investeringsbedrag en zou de netto contante waarde van de investering gelijk zijn aan € 0.
  5. Interne Rentabiliteit; de interne rentabiliteit-methode lijkt heel erg op de Netto Contante Waarde-methode. Beide methoden houden rekening met de tijdsvoorkeur van geld. Dat wil zeggen dat beide methoden de toekomstige kasstromen die voortvloeien uit de investering contant maken. Ze maken dan ook gebruik van dezelfde formule. Bij de NCW-methode is de disconteringsvoet echter een gegeven waarmee je de kasstromen contant maakt. Bij de methode van de interne rentabiliteit is de disconteringsvoet juist de uitkomst van de formule. De interne rentabiliteit is feitelijk het berekende winstpercentage van de investering zelf (vandaar het begrip 'interne rentabiliteit'). De disconteringsvoet c.q. winstpercentage van de investering wordt berekend door de contante waarde van de investering gelijk aan € 0 te stellen. Met het rekenvoorbeeld wordt dit duidelijk. De interne rentabiliteit bedraagt 6,66%. Met andere woorden de winstpercentage van de investering bedraagt 6,66%. Of dit nu een hoog of laag rendement is hangt van van de omstandigheden (zie pagina NCW). Wel kun je alvast de interne rentabiliteit vergelijken met het rendement van de eigen vermogen verschaffers. Als deze hoger ligt dan 6,66% dan zullen de eigen vermogen verschaffers waarschijnlijk niet achter de investering staan. Omdat deze investering, hoewel winstgevend, de rentabiliteit over het gehele vermogen laat zakken. Meest opvallende verschil tussen de NCW-methode en de methode van de Interne Rentabiliteit is dat de NCW-methode een uitkomst oplevert wat wordt uitgedrukt in een absoluut getal. Terwijl de Interne Rentabiliteit-methode een winstpercentage oplevert. Deze laatste kun je eenvoudig vergelijken met het minimaal normrendement dat op investeringen gerealiseerd moet worden.
  6. Break-Even-analyse; deze investeringsselectie methode wijkt iets af van de bovenstaande methoden. Hier wordt niet de winstgevendheid van de investering berekend maar het break-even point, ook wel 'dood punt' of 'kritisch punt ' genoemd. Het break-even-point is de afzet (of omzet) waarbij de totale opbrengsten gelijk zijn aan de totale kosten. Bij de berekende kritische afzet speelt de organisatie quitte. Een afzet lager dan het break-even punt, leidt tot verlies. Een afzet of omzet boven het break-even punt, levert winst op. Op basis van het rekenvoorbeeld dat is gebaseerd op de cijfers van de winst- & verliesrekening van Computercity bevindt de kritische afzet zich op 350 computers. Op basis van het 'kritisch punt' kan De Computerwinkel bepalen of de investering in Computercity reëel is. Als Computercity denkt maximaal 300 computers te kunnen afzetten dan moeten ze deze investering zeker niet doen. Maar bij een verwachte verkoop van 500 computers bedraagt de winst € 90.000 en is de investering winstgevend.
 

Conclusie Investeringsanalyse

Hoewel de ene methode meer inzicht geeft in de winstgevendheid van de investering dan de andere is er niet één methode die direct uitsluitsel geeft. De uitkomsten van de verschillende methoden moeten dan ook in samenhang beoordeeld worden om tot een juiste keuze te komen. Al blijkt in de praktijk dat investeerders vooral gebruik maken van NCW-methode en de methode van de Interne Rentabiliteit. Op basis van de verschillende methoden kun je in ieder geval afleiden dat de volgende criteria bepalend zijn bij een investeringsanalyse:
 
  • Kasstromen; bij investeringsselectie wordt altijd uitgegaan van het saldo van inkomsten en uitgaven, de zogenaamde kasstromen. Investeerders gaan in de berekeningen uit van kasstromen en niet van de netto winst omdat opbrengsten en kosten makkelijker beïnvloedbaar zijn. Op de pagina Kasstromen wordt het verschil tussen inkomsten & uitgaven en opbrengsten & kosten verder toegelicht.
  • Investering & Restwaarde; bij de investeringsselectie worden alle uitgaven bij aanvang en gedurende het project bij de analyse betrokken. Dit geldt ook voor de inkomsten die uit de investering voortvloeien en een eventuele restwaarde die de investering met zich meebrengt.
  • Tijdsvoorkeur; een bedrag van € 1.000 nu is meer waard dan € 1.000 over tien jaar. Immers als je de € 1.000 van nu  op de bank zet tegen 3% dan is dat bedrag van nu over 10 jaar gelijk aan van de € 1.344. Dat is de reden dat bij investeringsselectie kasstromen altijd contant worden gemaakt. Wat wil zeggen dat toekomstige kasstromen worden gewaardeerd tegen de geldwaarde van nu. Alleen dan kun je een juiste afweging maken tussen inkomsten en uitgaven die voortvloeien uit de investering.
  • Terugverdienperiode; is ook een belangrijke variabele omdat kasstromen in de tijd steeds onzekerder worden. Immers de omgeving verandert continu. Naarmate de periode waarover de investering moet worden terugverdiend langer wordt hoe groter de kans dat de kasstromen vanwege deze veranderingen zullen afwijken van de kasstromen die nu bij de investeringsselectie worden gehanteerd. 
  • Hoogte disconteringsvoet; zoals uit het rekenvoorbeeld blijkt heeft de hoogte van de disconteringsvoet grote invloed op de hoogte van de contante waarde van de kasstromen. Het is dus belangrijk om vast te stellen welke disconteringsvoet je wil hanteren. Gebruik je de marktrente plus een risico-opslag, de rentabiliteit van het eigen vermogen of de rentabiliteit van het totale vermogen? Afhankelijk van het doel bepaal je de juiste disconteringsvoet.
  • Absoluut bedrag of percentage?;  soms spreekt een absoluut bedrag meer tot de verbeelding. Maar vaak kiezen investeerders ervoor om de kasstromen uit te drukken in een percentage van het geïnvesteerd vermogen. Om zo te kijken of de investering bijdraagt aan de rentabiliteit van bijvoorbeeld de eigen vermogen verschaffers. Dat is de reden dat de methode van de Interne Rentabiliteit voor investeerders de voorkeur heeft boven de NCW-methode.
  • Risicoprofiel; tenslotte is het risicoprofiel van de investering een belangrijke variabele. Immers de met de investering gepaarde risico's bepalen hoeveel rendement de investeerders eisen. Is het risicoprofiel van de investering hoger dan de andere activiteiten binnen de organisatie dan zal de disconteringsvoet hoger moeten zijn dan de rentabiliteit op het eigen vermogen. Immers de investering verandert het risicoprofiel van de gehele organisatie. 
Terug naar inhoudsopgave
 

Deel House of Control via Social Media