FOETSJE-Model

Haalbaarheid Strategische Opties

Het FOETSJE-model wordt gebruikt om de strategische opties die uit de SWOT-analyse naar voren komen te toetsen op haalbaarheid en uitvoerbaarheid. Met behulp van het FOETSJE-model kun je een keuze voor een bepaalde strategische optie onderbouwen. Dit door elke strategische optie te toetsten op de 7 elementen van het FOETSJE-MODEL.
 

F   Financieel; zijn de financiële middelen aanwezig om de optie te realiseren?

O  Organisatorisch; is de organisatie in staat om optie te realiseren?

E   Economisch; past de optie binnen de financiële doelstellingen van de organisatie?

T   Technologisch; is de organisatie in staat om de optie technologisch gezien uit te voeren?

S   Sociaal; past de optie binnen de sociale doelstellingen van de organisatie?

J    Juridisch; is de optie juridisch gezien uitvoerbaar?

E   Ethisch; is de optie ethisch gezien verantwoord?

 

Voorbeeld FOETSJE-model

Onder druk van de aandeelhouders wil een organisatie een nieuw strategisch beleid gaan voeren. Om tot een nieuwe marktpositionering te komen voert de organisatie een SWOT-analyse uit. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen:
 
  • Externe analyse; de organisatie voert een marktanalyse uit om te bepalen welke markt(segmenten) aantrekkelijk zijn en welke niet. In terminologie van de SWOT-analyse worden hier de kansen en bedreigingen die zich in de markt voordoen in kaart gebracht. Veel gebruikte modellen hiervoor zijn het Vijfkrachtenmodel van Porter, het DESTEP-model en de Concurrentiematrix.
  • Interne analyse; tegelijkertijd met de externe analyse voert de organisatie ook een interne analyse uit. Deze zogenaamde organisatieanalyse brengt de sterktes en zwaktes van de organisatie in kaart. Veel gebruikte modellen voor een organisatieanalyse zijn het 7S-model van Mc-Kinsey, de Waardeketen van Porter of de BCG-matrix.
 
Op basis van uitkomsten van de interne en externe analyse worden de sterke en zwaktes van de organisatie afgezet tegen de kansen en bedreigingen die zich in de markt voordoen. Op basis van deze confrontatie(matrix) worden strategische opties geformuleerd. De opties worden uitgewerkt en worden getoetst aan het FOETSJE-model. Zodat je de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van elke optie vaststelt. Scoor elke element voor elke optie met een cijfer 1 tot en met 5. De strategische optie met de hoogste score is dan de beste keuze! Het management kan dan beargumenteerd aangeven waarom tot deze strategische keuze is gekomen.
 

SFA-model

Een ander model dat vaak (vaker....) wordt gebruikt om strategische opties te toetsen en tegen elkaar af te wegen is het SFA-model. Dit model bestaat uit de volgende elementen:
 
  • Suitability (geschiktheid); bij de toets op geschiktheid van de strategische opties wordt vastgesteld in hoeverre de optie aansluit bij de kansen die zich in de markt voordoen. Een strategische optie moet immers als eerste aansluiten bij de (on)mogelijkheden die zich in de markt voordoen. 
  • Feasibility (haalbaarheid); bij de toets op haalbaarheid van de strategische opties wordt vastgesteld in hoeverre de optie aansluit bij de mogelijkheden van de organisatie. Immers een strategische optie heeft alleen zin als de organisatie deze kan uitvoeren. Voor de haalbaarheidstoets wordt het FOETSJE-model gehanteerd. 
  • Acceptability (acceptabel); bij de toets op 'accepteerbaarheid' van de strategische opties wordt vastgesteld in hoeverre de winst en het bijbehorende risicoprofiel van de verschillende opties aansluiten bij de verwachtingen van de belanghebbenden.
 
Het SFA-model is dus een een meer compleet model om strategische opties tegen elkaar af te wegen dan het FOETSJE-model. Het SFA-model kijkt namelijk niet alleen naar de haalbaarheid van de strategische opties maar ook naar de geschiktheid en of een optie al dan niet acceptabel is voor de belanghebbenden. Mijn advies is dan ook om bij het toetsen van de verschillende strategische opties het SFA-model te hanteren. Omdat het FOETSJE-model daar ook expliciet onderdeel van uitmaakt.

Deel House of Control via Social Media